
Verliefde Koos en Tony hebben ‘geen cent problemen met Crooswijk’
Algemeen 360 keer gelezenRotterdam - De Crooswijkse buurkinderen Koos en Tony Voorrips waren op hun vijfde al ‘vriendje en vriendinnetje’. Afgelopen 16 en 18 april werden ze 83. Ze zijn inmiddels 58 jaar getrouwd en wonen nog altijd in Crooswijk, waarvan de laatste 34 jaar op de Boezemstraat.
Door Britte Kramer
De twee zijn nog altijd heel fit en actief. Ze werken beiden, hebben veel sociale contacten en gaan graag samen op pad. Door de coronacrisis moeten ze dat nu missen. Koos: “De vakantie gaan we afzeggen. We hadden zo’n riviercruissie geboekt, maar om nou met allemaal ouwe mensen op een bootje te gaan zitten… Plus, als dat wel zou kunnen, dan kan je nog geen zaakie in.”
Vertel! Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?
Koos: “We woonden destijds allebei in de Slachthuisstraat. Mijn vrouw aan het begin en ik halverwege. Op onze manier hadden we als kind al verkering. Ik had een fiets met een klein poppetje erop. Dat was ons kindje, zeiden we dan. Aan het eind van de Slachthuiskade had je een abattoir, waar ik nou op woon. In het houten gebouw zetten we op ons twaalfde harten met pijlen en ‘KV’ en ‘TZ’. Die hebben er jaren gestaan. Toen we een jaar of zestien waren zijn we een poosje uit elkaar geweest, maar toen ik in dienst zat, dacht ik: ik heb nog een ouwe liefde zitten! Over twee jaar zijn we zestig jaar getrouwd. Dat hopen we mee te maken; dat we niet doodgaan van dat spul, die corona.”
Zijn de verjaardagen wel gevierd?
Koos: “Normaal hebben we dertig mensen op visite, maar toch zijn onze verjaardagen heel stiekem geweldig gevierd. Om 8 uur werden we wakker gebeld en kwam m’n dochter met een ontbijt. Om negen uur kwamen de kleinkinderen een stickie brengen; alle vrienden en kennissen hadden een boodschap ingesproken. Een uur later kwamen ze met tompoezen, en dat ging zo de hele dag door. ‘s Avonds laat kwamen ze nog pyjama’s brengen. Toen konden we naar bed. Dat was donderdag, en zaterdags was m’n vrouw jarig. We dachten: onze dochter heeft een restaurant, dat zal wel niks worden. Maar het hele spul werd weer herhaald.”
Het beroemde ‘plashuis’ tijdens de marathon bleef dit jaar ook leeg natuurlijk?
Koos: “Ja, normaal hebben we tijdens de marathon een plashuis, met zo’n grote discjockeytoestand voor de deur. Maar dat zijn de minst erge dingen. Persoonlijk heb ik de meeste zorgen over mijn kinderen.”
Tony: “Ik vind dit een beetje hetzelfde idee als de oorlog. Alleen toen had je een luchtalarm, dan mocht je niet meer naar buiten. Nu mag je sowieso weinig naar buiten, alleen de bommetjes vallen niet. Destijds had je ook lege schappen in de winkels. Ik vond dat wel een beetje eng, en nog hoor. Je denkt aan je kinderen. Onze kleinzoon is achttien. Die moet kunnen dollen en doen. En wat doet-ie? Zit hij bij z’n moeder boven in een hokje.”
Slaat de verveling al toe?
Tony: “Vrijdags gaf ik zwemles bij de PTT, aan kinderen en volwassenen. Héél leuk werk, maar ik moet maar afwachten of ik dat na de crisis nog mag en kan doen. Dat zou ik wel heel erg vinden, als ik dat moet laten gaan. Maar het gaat goed. We zijn een hele hoop dingen aan het opruimen en weggooien. Schoonmaakwoede krijg je ervan.”
Koos: “We hebben alle foto’s uitgezocht en we hebben een nieuwe hobby: op de trap heen en weer lopen, in de portiek. Het scheelt dat we een goed huis hebben met een groot balkon, en dat we redelijk overweg kunnen met sociale media. Ik heb geen moeite om dingen te bestellen. Mijn vrouw heeft gewoon kleren gekocht die ze van de zomer aan moet. Maar daar heeft ze nu niks aan, dus die gaat dadelijk show lopen voor mij! We kunnen gelukkig goed met elkaar opschieten. Dat hebben we geleerd in die 75 jaar dat we met elkaar omgaan.”
Waarom altijd in Crooswijk gebleven?
Koos: “Mijn vrouw was, wat we nu noemen, mantelzorger voor haar ouders, dus die wilde nooit verder dan driehonderd meter bij ze vandaan. Wij hebben geen cent problemen met Crooswijk, maar het is natuurlijk de armste wijk van Nederland. Ik heb altijd een redelijke job gehad en moest het hele land door. Dan zat ik in een vergadering, in Groningen ofzo, en vroegen ze ‘Waar woont u, meneer Voorrips?’ Dan zei ik ‘Crooswijk’ en werd het stil. Maar ik zei het altijd met trots hoor.”















