
Rotterdam van 19TOEN in beeld: Kinderen van Oud-Rotterdam
Algemeen 3.032 keer gelezenRotterdam - De geschiedenis van Rotterdam in de twintigste eeuw (19TOEN) is uiteraard niet exact in 1900 bij de eeuwwisseling begonnen. In deze rubriek laten we wekelijks een beeld van Rotterdam uit de vervlogen jaren van de 20e eeuw de revue passeren. Aflevering 43.
Door Peter Zoetmulder
Een heerlijk lees- en kijkboek, met prachtig foto’s en een schat aan informatie, een stuk sociale geschiedenis van Rotterdam uit met name de jaren 1920-1940, waarin kinderen de hoofdrol spelen. In 1984 verscheen ‘Kinderen van Oud-Rotterdam. De stad waar men is kind geweest’ (naar de aan de dichter Jan Prins ontleende versregel), van de hand van Peter J. Troost. De uitgave kwam tot stand onder auspiciën van het tijdschrift Ons Rotterdam. Het boek is in tweedehands boekwinkels nog wel eens te vinden.
Nu eens niet vormen straten, pleinen en gebouwen het centrale thema, maar is het kind de hoofdrolspeler. Aan de hand van meer dan 100 foto’s en uitgebreide toelichtingen volgen we het doen en laten van Rotterdamse kinderen in de periode van circa 1920 tot 1940, met name in de crisisjaren.
De schrijver Peter Troost, in 1924 geboren in Rotterdam, ondernam al als kind speurtochten door zijn geboortestad en was pas tevreden als hij wist welke onbekende wereld zich aan het eind van een steeg of een slop, of aan de overzijde van een singel bevond. Rond de eeuwwisseling verhuisde hij naar Rhoon.
Armoede
In het boek leren we de schrijnende armoede kennen waarin de armste kinderen in sloppen en stegen opgroeiden, maar zien hen ook spelen en zich op inventieve wijze vermaken in een krottenwereld van armoede en honger. Deze kinderen verlieten hoogst zelden hun krottenwijk. Hoogstens op weg naar school, of naar de eetzaal. En als zij tot de gelukkigen behoorden, dan mochten zij eenmaal per jaar met een klerenkaart naar het Armhuis op de Schiedamsedijk, waar ze een jurk, een broek, een paar sokken of een paar klompen in ontvangst mochten nemen.
Lees verder onder foto >
![]()
De Schiedamsesingel bood kinderen veel vermaak. Vooral in het hengelseizoen met vis uit de Kralingse Plas. Foto: Henry Berssenbrugge
Maar het spreekt vanzelf dat er niet uitsluitend misdeelde kinderen door de Rotterdamse straten zwierven. Er waren ook kinderen onder gelukkiger gesternte geboren. De kinderen die het destijds beter hadden getroffen speelden vooral in het Park en ravotten op het Land van Hoboken (het latere Dijkzigt terrein). Jongens bouwden er hutten of speelden er indiaantje en cowboy. Of anders gingen ze pootje baaien in de fontein van het Caland monument (toen nog aan de Coolsingel). De armere kinderen konden zich op hun beurt vermaken op het ‘strand’ van pier 7 in de Waalhaven.
En wat natuurlijk alle jongens en meisjes ook konden doen was dansen rond het draaiorgel en achter het muziekkorps van de mariniers aanlopen. “Als rattenvangers van Hamelen lokten deze stoere zeesoldaten de kinderen uit hun vertrouwde buurten. Geboeid door de vrolijke marsmuziek doorkruisten de kinderen de stad.”
Ondernemingsgeest
De toenmalige jeugd gaf aan de andere kant ook blijk van een ‘ondernemingsgeest’: we zien ze als besteljongen van de kruidenier of groenteboer, als gids voor automobilisten (’stadsloods’) of als auto-oppasser. Ze probeerden allemaal wel een zakcentje te verdienen. Voor de middenstand waren het goedkope arbeidskrachten, want ze kregen maar een ‘habbekrats’.
Lees verder onder foto >
![]()
Help de manden maar van boord sjouwen! Na gedane arbeid kregen de jongens ieder een handje rauwe mosselen... Foto: Spaarnestad
De armste kinderen vonden een tijdlang enige inkomsten in bijvoorbeeld de handel in brandhout. Van de houten heipalen moest eerst - door volwassenen - de kop worden afgezaagd. Deze afgezaagde koppen werden dan voor enige centen opgekocht en vervolgens door de jongens verwerkt tot keurige bosjes aanmaakhout die de ‘bossiesmakers’ aan waterstokers konden verkopen.
Verder nam het schipperskind in de oude binnenstad in die tijd een aparte plaats in. Zij straalden tot ongeveer 1930 nog een zekere welvaart uit. Ook kinderen van het Burger Weeshuis waren in deze periode een kenmerkend verschijnsel, evenals de uitstapjes van de Rotterdamsche Vacantieschool (RVS). Vanaf de Rosestraat vertrok het bekende stoomtreintje met kinderen naar Oostvoorne, en vanaf station Delftsche Poort vertrokken grote groepen kinderen naar Hoek van Holland (’de Hoek’).
Hoewel er aan armoede geen gebrek was in deze tijd merkte de schrijver dat de meeste kinderen die hij - zelf inmiddels ook opa - later als opa en oma hierover sprak, vonden dat ze een onvergetelijke jeugd hadden gehad. “Want, hoe arm ze vroeger vaak ook waren, ze hadden het voorrecht in een stad te wonen waarin een kind zich volledig uit kon leven. Rotterdam was voor een ondernemend kind met fantasie immers één grote speeltuin!”
Zie voor aflevering 42:















