André van Duin bladert met onze verslaggever Peter van Drunen door het boek ‘Groeten uit Rotterdam’ met foto’s van nu en honderd jaar geleden. “Kijk, dit is Delfshaven. Hier heb ik veel gespeeld.” Foto: Rico Hop
André van Duin bladert met onze verslaggever Peter van Drunen door het boek ‘Groeten uit Rotterdam’ met foto’s van nu en honderd jaar geleden. “Kijk, dit is Delfshaven. Hier heb ik veel gespeeld.” Foto: Rico Hop
Rotterdammer van de Week

André van Duin bladert door zijn jeugd: ‘Rotterdammers zijn de leukste mensen’

Algemeen 1.726 keer gelezen

Rotterdam - In het stukje Rotterdam waar lang geleden Piet Hein werd geboren en waar de Pelgrimvaders aan hun tocht naar Amerika begonnen, werd in 1947 Nederlands grootste komiek aller tijden geboren. Andrianus Marinus Kyvon, beter bekend als André van Duin (74). Hij groeide op aan de Watergeusstraat in Delfshaven. André van Duin is deze week Rotterdammer van de Week.

Door Peter van Drunen

Buitenspelen kon André daar uitstekend in het naoorlogse puin. “Het Piet Heynsplein was een mooie plek”, zegt de entertainer. “Dan heb je de Kolk. Achter het hek waren de wagons nog. Daar kon je appeltjes jatten. Dat hele gebeuren in Delfshaven met al die brokstukken en die kinderrijke gezinnen, dat was prima toeven. Ik heb een fijne jeugd gehad.” 

André zag zijn geboortestad in de loop der tijd wel veranderen. “De Watergeusstraat is niet meer hetzelfde. Het lijkt er niet meer op. De deurtjes zijn ook kleiner. Ik ben nog een keer binnen geweest in m’n oude huis. Toen woonde er een Turkse familie. In mijn beleving was het zo groot. We hadden een voorkamer, achterkamer en een tussenkamer, een veranda en een zolder, maar het is allemaal zo klein.”

Bij een foto van de Schiedamseweg staat André kort stil bij het Prinses Theater. “Zondagmiddag was daar altijd kinderfilm en werd meestal een film vertoond van Laurel & Hardy. Daar ging ik dan naartoe.” Aan diezelfde weg had de volkskomiek één van zijn weinige ‘normale’ baantjes voordat hij in 1964 doorbrak als artiest. “Ik was heel kort vakkenvuller bij kruidenier Simon de Wit. Verder heb ik nog bij Stad Rotterdam Verzekeringen gewerkt. Moest ik mappen opbergen.” Lachend: “Die zijn ze nog steeds aan het zoeken. Ik zag dat allemaal als tijdelijke oplossing.”

Hoewel André het jammer vindt dat zijn stad zo veranderd is, wonen hier volgens hem nog steeds de leukste mensen. “Rotterdammers zijn natuurlijk heel leuk volk. Ze zijn het beste publiek dat je kunt hebben. Ze lachen goed. In Amsterdam kom je een café binnen en dan zitten toeristen je een beetje aan te kijken, terwijl je in Rotterdam hoofdzakelijk Rotterdammers ontmoet met wie je meteen kunt praten. Dat is veel leuker en gezelliger.”

André van Duin is deze week Rotterdammer van de Week bij De Havenloods. Lees verder onder de foto.

En hoe voelt dat?
“Ja, nou, dat is een hele eer. De Havenloods… Dat die nog bestaat, zeg. Al 71 jaar? Ja, hij was er in mijn jeugd al.”

Van wie heb je de humor, van je vader of je moeder? 

“M’n moeder was heel nuchter. Dat relativeren en zo heb ik van haar. M’n vader was dan wel meer van de humor, ja. Die maakte grappen op bruiloften en hij zette hoedjes op. Tegenwoordig doen ze dat niet meer geloof ik, maar in die tijd deden ze nog weleens spelletjes op bruiloften en hij maakte er dan graag een feest van.”

Wanneer ontdekte je je eigen talent voor comedy?

“Nou, of ik talent had weet ik niet. Ik had in elk geval belangstelling voor artiest zijn. Alles wat er op humorgebied op de radio gebeurde, hield ik in de gaten. Ik luisterde de Bonte Dinsdagavondtrein, Showboat, Koek en Ei... Je had vroeger heel veel comedyprogramma’s. Ik zat daar met rooie oortjes naar te luisteren, hoewel ik het helemaal niet begreep natuurlijk. Toen dacht ik: dat is leuk, mensen aan het lachen maken. Ik wist dat ik komiek zou worden.”

Hoe zette je de eerste stappen in het vak?

“Met het nadoen van Tom Manders. Dorus. Met een hoedje en een snorretje. Ik had zo’n stukje bont afgeknipt en op m’n bovenlip geplakt. En dan een plaat opzetten en playbacken. Zo’n verhaaltje van de radio navertellen.”

En merkte je dat mensen erom moesten lachen? 

“Dat kwam later in Jeugdhuis Piet Hein aan de Voorhaven. Toen speelde ik voor het eerst voor publiek. Ze moesten wel lachen natuurlijk, maar ik was destijds niet zo heel erg met de toeschouwers bezig. Ik was allang blij als ik die hele tekst eruit kreeg.”

Heb je je rode haar ook altijd als handelsmerk gezien? 

“Ja, dat is het altijd wel geweest. Ik ben er weleens een beetje mee gepest. Dan riepen ze ‘rode kroot’ en ‘vuurtoren’, maar daar heb ik me nooit zo druk om gemaakt.”

Meer geplaagd dan echt gepest dus…

“Ja, niet zoals je tegenwoordig hoort dat je zelfmoord zou willen plegen. En omdat ik komiek wilde worden, vond ik het rode haar ook wel een pré. Ik dacht: clowns in het circus hebben ook rood haar, dus wat dat betreft zit ik al op de goede weg.” 

“Neem maar een truffeltje, hoor, als je wil...” André wijst naar het schaaltje met chocoladetruffels op tafel.

Je hebt op een gegeven moment de knop omgezet. Je bent van comedian de serieuze kant op gegaan. 

“Ja, ik dacht: ik ga niet meer met die alpinopetjes en die brilletjes op. Dat heb ik nou ruim vijftig jaar gedaan.”

Nooit meer?

“Nee, ik vind oude comedians altijd een beetje triestig worden. Ik zag een keer een Belgisch duo, Gaston en Leo op latere leeftijd. Toen dacht ik: nee, zo moet je het niet doen. Maar het loopt zoals het loopt. Ik kon ineens programma’s presenteren. En dat ging eigenlijk best makkelijk. Vroeger moest je alles bedenken, schrijven en repeteren. Tegenwoordig ga ik er naartoe, ik geef geluid en ze zeggen: goh, wat deed je dat hartstikke leuk.”

Dat moet een gekke gewaarwording zijn. 

“Ja, het zijn natuurlijk een beetje de credits die je hebt opgebouwd en die gebruik je nou. Vroeger heb je veel gezaaid en nu ben je een beetje aan het oogsten, zeg maar. Voor veel mensen was die toespraak op de Dam op 4 mei de klap op de vuurpijl. Zo van: nou is ie zo betrouwbaar, dan kunnen we hem dit ook wel laten doen. Een soort vader des vaderlands.” 

Wat vind je nu het leukste om te doen?

“Het leukste vind ik bootje varen met Janny. Er gebeurt eigenlijk niks. Af en toe ergens eten of slapen. ‘Denkend aan Holland’ voelt soms als vakantie. ‘Heel Holland Bakt’ zijn lange dagen en dat doe ik al acht jaar, dus dat is anders. De crew is heel leuk, maar je moet soms zolang op die taarten wachten.”

De vriendelijke butler onderbreekt voorzichtig. “Sorry, ogenblikje. Weet je waar de waszak is, want de was is…” André reageert: “Oh, ja, dan moet je… Helemaal boven in de badkamer staat die rieten mand. Die zak ligt onderin.”

Maar wat je ook doet, de kritieken zijn altijd positief. 

“Ja, ik word altijd ontzettend ontzien. Normaal moet iedereen dood op Twitter, maar dat is bij mij nooit. Altijd aardig en vriendelijk.” 

Hoe verklaar je dat? 

“Ik heb nooit een mening hè. Ik heb ook geen kritiek. Ik ben niet voor dit of tegen dat. Ik ben niet voor D66 of CDA of welke groepering ook. Ik draag dat allemaal niet uit en ik sta niet op de barricade, zo van: mensen, we moeten er tegenaan.”

Buig je dan mee met iedereen? 

“Ja, dat is misschien ook wel een beetje een zwakte. Je moet natuurlijk een mening hebben. En ik heb ook wel een mening, maar die hoef ik niet naar buiten te brengen. Als het niet ten voordele is… Je kunt er een hoop last mee krijgen. Voor je het weet staan er hele drommen voor je deur. Dat is altijd gevaarlijk als je aan een talkshowtafel zit. Dan hebben ze het ergens over en vragen ze ineens: wat vind jij er nou van? 

Je houdt ook helemaal niet van ruzie hè…

“In principe houdt niemand van ruzie, denk ik.” 

Werd er vroeger bij jullie thuis nooit ruzie gemaakt? 

“Nee, in de familie ook niet. M’n vader had veel broers en zusters, maar ik heb nooit mot meegemaakt.” 


Je bescheiden en nuchterheid worden ook gewaardeerd denk ik. 

“Ja, nou ja, ik kan goed relativeren en ik ga niet gauw met de massa mee. Ik wacht altijd even. Je moet niet meteen je mening geven over iets. Je moet ook de andere kant horen. Er wordt in de krant veel gesuggereerd, maar dan blijkt het twee weken later heel anders te zitten. Dan maak je je heel druk over iets, terwijl er niks aan de hand is. 

Terwijl…Er gebeurt heel veel in de wereld. Soms denk ik: ik ben blij dat ik 74 ben. Als ik zie wat er allemaal nog moet komen. My God. Met klimaat, agressiviteit, aanslagen, virussen. Dan denk ik: waar gaat het heen?” 

Is het erger dan dertig jaar geleden? 

“Ja, dat weet ik niet. Je hoort het nu allemaal sneller hè. Vroeger duurde het een week voordat het in de krant stond. Nu ben je er bij op het moment dat het gebeurt. Maar vroeger in de Romeinse tijd zal ook niet zo leuk geweest zijn.” 

Twee jaar geleden overleed je echtgenoot Martin. Hoe verwerk je zo’n groot verdriet? 

“Je moet het een plek geven, voor zover dat mogelijk is. En je moet proberen door te leven. Ik heb dat gedaan door heel veel te werken en veel aan te nemen. Je moet afleiding zoeken. Lekker bezig zijn. Vrolijkheid.” 

En kun je ook wel alleen zijn? 

“O joh, ja ik ben vaak genoeg alleen. Dan heb ik heel veel verdriet en moet ik veel huilen. Je moet het ook een beetje gaan verwerken.” 

André kijkt naar de plaatjes met bekende namen op de bar die herinneren aan de talrijke bingo’s en samenzangavonden die Martin en André organiseerden. “We hadden hier grote feesten. Dat was leuk, maar dat mis je nou allemaal.” André valt even stil. “Maar goed, dat heeft iedereen nu. Niemand heeft grote feesten door corona. Dat is dan min of meer een troost, ja.” 

Uit de krant