
Gaat Gen Z echt minder uit? Thys Boer trekt het in twijfel: ‘De vraag naar de nacht is niet afgenomen’
Algemeen 267 keer gelezenRotterdam - Gaat Gen Z daadwerkelijk minder uit, of kunnen jongeren het zich steeds minder veroorloven? De Rotterdamse nachtburgemeester Thys Boer plaatst vraagtekens bij het beeld dat jongeren simpelweg minder behoefte hebben aan het nachtleven. Volgens hem wordt in de discussie een belangrijke factor over het hoofd gezien: zowel jongeren als clubs hebben het financieel steeds moeilijker.
Boer reageert op Instagram op berichtgeving over de vraag waarom Gen Z minder zou uitgaan. Hij vindt dat in zulke analyses te weinig wordt gesproken met de mensen die het nachtleven zelf maken, onderzoeken en bezoeken.
Volgens de nachtburgemeester kan dat leiden tot een verkeerde diagnose. Want als de conclusie is dat jongeren niet meer willen uitgaan of dat clubs niet meer rendabel zijn, dreigen volgens hem ook de verkeerde oplossingen te worden gezocht.
Jongeren hebben minder te besteden
Een belangrijke factor is volgens Boer de financiële positie van jongvolwassenen. Dat jongeren relatief veel werken, betekent volgens hem niet automatisch dat zij veel geld overhouden om uit te gaan. Wonen en andere vaste lasten nemen een steeds groter deel van het inkomen in beslag.
Tegelijkertijd wordt het voor clubs duurder om hun deuren open te houden. Ruimte is schaars, terwijl onder meer personeel, beveiliging, artiesten en techniek geld kosten. Daar staat tegenover dat bezoekers terecht betaalbare entree en drankjes verwachten, maar ook een veilige dansvloer, goed personeel en een aantrekkelijk en vernieuwend programma. De vraag die Boer daarbij stelt is eenvoudig: wie betaalt het verschil?
‘Een club verkoopt niet alleen drank’
Volgens Boer gaat er nog iets mis in de manier waarop naar het nachtleven wordt gekeken. Clubs worden volgens hem voornamelijk als horecabedrijven behandeld, terwijl hun functie veel breder is.
In clubs wordt geprogrammeerd en gecureerd, krijgen artiesten en andere makers een podium en ontstaan muziek, mode, kunst, communities en subculturen. Voor bezoekers zijn het bovendien plekken om mensen te ontmoeten en te experimenteren met wie ze zijn en willen worden. “Dat is cultuur”, stelt Boer.
Hij trekt daarbij de vergelijking met musea, theaters en poppodia. Ook die organisaties verkopen kaartjes en hebben vaak een bar, maar ontvangen daarnaast subsidies omdat hun culturele en maatschappelijke betekenis niet volledig uit commerciële inkomsten kan worden betaald. Waarom zou bij clubs dan worden verwacht dat kaartverkoop en drankomzet wél alle kosten dekken, vraagt Boer zich af.
Nachtcultuur als cultuur
Boer pleit daarom voor ondersteuning van plekken en organisaties die aantoonbaar investeren in talentontwikkeling, diverse en vernieuwende programmering en experiment. Volgens hem moeten zulke plekken worden erkend en behandeld als onderdeel van de nachtcultuur.
Die gedachte staat niet helemaal los van de koers die Rotterdam inmiddels zelf vaart. De gemeente omschrijft nachtleven en nachtcultuur als belangrijke onderdelen van een levendig en aantrekkelijk Rotterdam. Nachtcultuur valt binnen het gemeentelijke cultuurbeleid en N8W8 R’dam, de Rotterdamse nachtraad waaraan Boer verbonden is, werkt met de gemeente samen binnen de Nachtdienst.
Rotterdam werkt daarnaast aan nieuwe ruimte voor de nacht. Onder meer de Boompjeskade, Prins Alexander 37 en De Koepels in het Mallegatpark zijn aangewezen als kansrijke locaties voor nachtcultuur. De ambitie is dat deze locaties in de loop van 2026 in gebruik kunnen worden genomen.
Andere vraag stellen
Volgens Boer ligt het probleem uiteindelijk niet noodzakelijk bij een afnemende behoefte aan uitgaan. Hij ziet vooral een situatie waarin het besteedbare inkomen onder druk staat en tegelijkertijd de kosten voor plekken die het nachtleven mogelijk maken stijgen. Daarom vindt hij dat de discussie niet alleen moet gaan over de vraag: ‘Gaat Gen Z minder uit?’ De interessantere vraag is volgens de Rotterdamse nachtburgemeester of de samenleving bereid is de nacht te erkennen voor wat die volgens hem is: een plek voor cultuur, ontmoeting, talentontwikkeling en experiment - en daar ook financieel aan bij te dragen.
Boer heeft daarnaast een boodschap voor journalisten die over het onderwerp schrijven: betrek mensen die de nacht daadwerkelijk kennen bij het verhaal. “Geen podcasts of artikelen over de nacht maken zonder experts aan het woord te laten”, schrijft hij.















