
Rotterdammer van de Week Lotte Velvet: ‘In Rotterdam is er niet zoveel ruimte onder het tapijt’
Algemeen 2.081 keer gelezenRotterdam - Toen Lotte Velvet (echte naam Vermeulen) voor het eerst in Rotterdam kwam, was ze diep onder de indruk van het water, van de schepen die in onze stad aankwamen. Nu kijkt ze vanuit haar huis over de Nieuwe Maas uit en lijkt het er niet op dat ze Rotterdam ooit gaat verlaten. Als cabaretier staat ze op podia in het hele land én ze brengt binnenkort haar debuutalbum uit. En werkt ze als forensisch psycholoog. Lotte Velvet is onze Rotterdammer van de Week.
Door Emile van de Velde
Je bent geboren in Oss.
“Ik had een fijne, rustige jeugd. Met een zusje en twee werkende ouders. Mijn moeder was docent op een basisschool, mijn vader had een baan in de chemische industrie. Ik had een opa die schipper was. Waarschijnlijk komen daar de genen vandaan waardoor ik zo van water hou. En ik had een leuke oom en tante die in Rotterdam woonden. Als we op bezoek gingen, maakte Rotterdam diepe indruk op me. Ik zal nooit vergeten dat mijn oom bij Hotel New York vertelde over alle schepen die er aankwamen en vertrokken...”
Dus werd het Rotterdam.
“Ik wilde psychologie studeren, dat wist ik al vroeg. En ik had sterk de behoefte om weg te gaan uit die rustige omgeving. Om te kijken wat er verder nog in de wereld was. Dat werd haast vanzelf Rotterdam. En de Erasmus Universiteit.”
En hoe beviel dat?
“Ik vond een kamer aan de Willem Buytewechstraat. Verheugde me erop om in een stad te wonen waar platenzaakjes en concerten zijn. Worm zat toen bij mij in de buurt. De eerste tijd vond ik het best eng allemaal, dan fietste ik eerst drie keer langs voordat ik naar binnen durfde. Dat was gelukkig snel voorbij. En nu is het 22 jaar later, nu is Rotterdam gewoon mijn stad. En ik ben Rotterdammer. Ik kom alleen nog in Oss voor mijn ouders en wat vrienden van vroeger. En soms ga ik nog weleens bij mijn oude vioolleraar langs.”
Wat bevalt je aan Rotterdam?
“Ik denk dat iedereen dat wel zegt, maar dat is de no-nonsensementaliteit. Waar ik opgroeide, werd er veel onder het tapijt geschoven. In Rotterdam niet. Hier is er niet zoveel ruimte onder het tapijt. Dat bevalt me heel goed. En het water natuurlijk. De havens, de rivier, de schepen. Dat geeft me sterk het gevoel dat we in verbinding staan met de rest van de wereld.”
En wat is er lelijk aan de stad?
“Nou, er ligt veel meer afval op straat dan een aantal jaar geleden. Het is echt vies! We hebben al niet zo veel groen in de stad, het is echt zonde dat dat dan ook nog vol met troep ligt. Ik maak me best zorgen. Er is veel drugsoverlast, mensen zijn dakloos, de zorg aan mensen is heel erg afgeschaald. Ik hoop dat daar een goede aanpak voor komt, bijvoorbeeld betere zorg voor mensen die het nodig hebben. Al heb ik ook niet meteen alle oplossingen paraat.”
Wanneer had je door dat je talent had als cabaretier?
“Op de middelbare school merkte ik dat mensen het leuk vonden wat ik schreef. Ik heb ook nog in bandjes gezeten, maar op een gegeven moment ben ik een cabaretcursus bij de SKVR gaan volgen en won ik een prijs op een festivalletje. Vijf jaar geleden kreeg ik op het Amsterdams Kleinkunst Festival de Wim Sonneveldprijs. Dus nu ben ik wel echt cabaretier ja. Ik speel in het radioprogramma Spijkers met Koppen. Ik heb nu twee theatervoorstellingen gedaan. Op 30 november komt mijn debuutalbum Carrousel uit met liedjes uit de tweede voorstelling. Mijn vriendin Annika Boxhoorn heeft de plaat geproduceerd. Ik treed op met haar en met Serge Dusault. Het gaat me om het vinden van een emotie bij de luisteraar. Dan kan een lach zijn, een traan, maar het mag ook een heel ander gevoel zijn.”
Je werkt als forensisch psycholoog.
“Ja, onder meer voor de Rotterdamse rechtbank en het Pieter Baan Centrum. Ik ga in gesprek met mensen die verdacht worden van een misdrijf. Aan de hand van mijn diagnose, en uiteraard van meer mensen, kan bepaald worden of iemand behandeling nodig heeft, of er psychische problemen zijn. Of dat pittig is? Dat kan. Ik ben na 18 jaar behoorlijk ervaren, en kan er goed met collega’s over praten. Het is niet altijd even vrolijk. Het is vooral mooi om te doen omdat het belangrijk werk is voor de veiligheid in onze samenleving.”















