Rotterdammer van de Week Hans Visser: 'Ik heb meegemaakt dat m’n auto in de fik stond. Er is op m’n huis geschoten.' Foto: Peter van Drunen
Rotterdammer van de Week Hans Visser: 'Ik heb meegemaakt dat m’n auto in de fik stond. Er is op m’n huis geschoten.' Foto: Peter van Drunen
Rotterdammer van de Week

Hans Visser blikt terug op zijn tijd als dominee, de Pauluskerk en Perron Nul

Algemeen 2.917 keer gelezen

Rotterdam - “Ik ben zwaar met pensioen”, zegt Hans Visser (79) resoluut. Hij is sinds 2007 met emiraat. Als dominee was hij jarenlang verbonden aan de Pauluskerk en in die hoedanigheid nam hij het op voor de allerzwaksten. Hij maakte furore met Perron Nul, een plek naast het station waar verslaafden werden opgevangen. Visser, die lof én kritiek oogstte, is onze Rotterdammer van de Week!

Door Peter van Drunen

Hoe komt het dat u zich zo verbonden voelt met de zwakkeren?

“Je moet altijd zorgen voor de minsten. De illegalen, allochtonen, vreemdelingen, drugsgebruikers en daklozen. Ik heb getracht dat over te dragen op mijn mensen. En dat is wel aardig gelukt, ja.”

U klinkt er heel nuchter over…

“Ja nou ja, daar groei je zo in. Ik vond het wel leuk allemaal.”

Welke bijbeltekst was uw inspiratiebron?

“In Matteüs 25 lees je dat Jezus zich vereenzelvigde met de daklozen en de armen. Dat is een heel aardig verhaal. Je probeert Jezus toch een beetje eigentijds in te kleden. Je moet er jaren voor werken, maar de grondgedachte dat het juist gaat om de armen en hongerigen is uiteindelijk wel overgekomen.”

“Wil je een koekje trouwens?” Als een echte grootvader tovert Visser een stroopwafel tevoorschijn.

Perron Nul ging aan zijn eigen ‘succes’ ten onder…

“Het was een tijd waarin verslaafden op straat zwierven en overlast veroorzaakten. Met Perron Nul hebben we dat redelijk kunnen hanteren, maar er kwamen al snel een stuk of duizend verslaafden, ook uit België, Frankrijk, Duitsland. Perron Nul moest na zeven jaar dicht. Het was niet het einde van mijn werk, maar wel het einde van een project. Ik heb er nooit spijt van gehad, al zou ik bepaalde dingen misschien anders hebben gedaan.”

U nam het op voor álle minderheden, zelfs voor pedofielen. Hoe kijkt u daar op terug?

“Ik heb geprobeerd in gesprek te gaan met pedofielen, maar dat was een grote mislukking. Altijd jammer geweest dat het niet gelukt is. De oorzaak daarvan is toch de afwijzing en de affaires. Het is ietsje beter geworden, maar het blijft altijd moeilijk. Ik heb met een aantal mensen nog wel contact.”

Bent u toen vaak bedreigd?

“Ik wist dat het erbij hoorde. Dreigbrieven. Ik heb meegemaakt dat m’n auto in de fik stond. Er is op m’n huis geschoten. Er werden ook pamfletten verspreid dat ik zelf pedofiel zou zijn, zelfs tot hier in deze flats. Maar ik moet zeggen dat bewoners snel door hadden dat het niet klopte. Ik werd een paar keer aangeklampt op straat. Dan zei de politie ‘kijk nou uit’ en moest ik weer andere routes naar huis fietsen.”

Hoe wilt u graag herinnerd worden?

“Dat is moeilijk, omdat ik ook tijdgebonden ben. Ik was actief in de jaren tachtig, negentig, met de toenmalige problemen in de stad... Je gaat toch ten onder in de vergetelheid. Dat is niet erg. Zo gaat dat.”

Vindt u dat er momenteel voldoende omgekeken wordt naar de zwakkeren?

“De kerk spreekt me niet meer zo geweldig aan. Het christendom wel, maar de kerk vind ik niet zo spectaculair. Ik vind het jammer soms. De kerk als pleitbezorger voor de minsten in de samenleving vind ik het belangrijkst. Dat wordt ook wel erkend, maar of het zo praktisch wordt uitgevoerd vraag ik me af.”

Wat is uw meest dierbare herinnering aan de Pauluskerk?

“We hadden altijd gespreksgroepen in de kelder. Dat was wel leuk. Daar kwamen bezoekers en dan hield ik een bijeenkomst zonder verplichtend karakter. Dat verliep altijd wel prettig. Er waren veel mensen, ook medewerkers, die daar graag kwamen.”

Wat is uw erfenis?

“Nou ja, de erfenis moet altijd zijn dat men inziet dat de kerk een instituut is dat meegaat met de mensen met wie het minder goed gaat. Dat is de vluchteling, de dakloze, de drugsgebruiker, de psychisch gestoorde mens. Ennuh…dat is belangrijk.”

Wat doet u nu overdag?

“Ik leid een rustig bestaan. Dat wil zeggen, ik bezoek nog wat mensen. Voor de rest houd ik me koest.”

Uit de krant