
Ratten, verdwaalde vuilniszakken en lachgastanks: dát was niet de bedoeling...
AlgemeenRotterdam - Peer Hommel is een Rotterdamse dichter met het hart op de tong.. Ze is co-host van de podcast ‘De Rotterdamse School (en aanverwante zaken)’ en heeft een column in ‘De Nieuwe Contrabas podcast’. Onlangs is haar debuutbundel Geen Recept verschenen. Hommel schreef deze gastcolumn voor De Havenloods:
‘Nu ik sinds een paar weken trotse eigenaar van een koptelefoon ben, zit dat ding zo’n beetje vastgelijmd op m’n oren. Dat is tegen mijn verwachting in, want ik houd niet per se van dingen op mijn hoofd. Dat klemt m’n hersenruimte af, dacht ik altijd. Na lang overwegen, heb ik een exemplaar gekozen met goed geluid en retrolook, van een merk dat ik kende van gitaarversterkers. Misschien denken ze dan dat ik een beroemde rockster ben, als ik er ook m’n zonnebril bij op zet. Om dat van die hersenen te compenseren, luister ik meer podcasts en audioboeken dan ooit. Als ik er niet mee in de trein zit, loop ik ermee door het huis.
Vanmorgen was voor het eerst de accu leeg. Dat kwam me niet verkeerd uit, want ik zou die middag een column schrijven voor De Havenloods. Ik kon me dus maar het beste als spons door de buurt bewegen, ontvankelijk voor inspiratie, al het schoon dat Rotterdam me te bieden heeft. Hoor de duiven op het balkon maar eens tekeergaan! Good morning Delfshaven! Ik laat m’n telefoon thuis en ga groen naar de markt.
Onderweg naar de markt merkte ik dat ik al flink goed open stond voor impulsen, toen ik vier platgereden ratten op straat telde, twaalf verdwaalde vuilniszakken en zes lachgastanks. Dit was niet helemaal de bedoeling. Ik had me ingebeeld als een soort Maria von Trapp over de stoepen te dartelen. Nu voelde ik me meer als Agatha Bulstronk. Wellicht zullen de kooplui op het Visserijplein me opvrolijken. Het zal vast een gezellige boel zijn, want het is mooi weer.
De eerste verkoopster rekent met me af terwijl ze in haar oortjes aan het bellen is. De jongen bij de notenkraam moet ik eerst drie keer vriendelijk hallo zeggen, voordat hij opkijkt van z’n smartphone. Teleurgesteld struin ik terug naar huis, afgestompt en ongeïnspireerd. Daar pak ik de opgeladen koptelefoon en zet ‘m op m’n hoofd. Ik pak een boek en sprint ermee naar het Park, voor een prikkelarme leeservaring. Niemand spreekt me aan of ziet me aan voor een rockster. Hersenruimte.’