
De waterbaas van Rotterdam over palingen, visdeuren en blobs
AlgemeenRotterdam - Jan Pieter Kalkman is de waterbaas van Rotterdam. Hij zorgt dat de waterstand in onze stad op peil blijft. Maar nóg meer dan van water, houdt hij van vissen. Hij praat vol liefde over kleine palinkjes die de stad in willen en snoeken met seksuele aandrang, maar ergert zich een ongeluk aan rivierkreeften. Onze waterbaas komt uit een familie van vissers: ‘Maar zelf eet ik geen vis meer, dat lukt me gewoon niet.’
Door Emile van de Velde
Het regent tijdens het interview. We zitten in Gemaal Schilthuis aan het Oostplein. De waterbaas heeft het gemaal aangezet om het regenwater meteen richting de Nieuwe Maas af te voeren. Een uur later is er 24 miljoen liter onder ons doorgestroomd, onder het Oostplein door, bóven de metrotunnel langs, naar de rivier.
Jij bent dus onze waterbaas?
“Ja. Al heb ik die titel zelf verzonnen hoor. Samen met vijf collega’s van hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard hou ik de gemalen draaiend. Als het regent moet het water vanuit de Rotte de stad uit, als het droog is andersom. We houden ook het zoutgehalte in het water in de gaten. En zorgen dat de vissen er door kunnen.”
Lees verder onder de foto.
![]()
Waterbaas Jan Pieter Kalkman.
Want vissen zijn je grote liefde.
“Ja, het is echt bijzonder wat er allemaal onder water gebeurt, ook al zie je dat niet. Ik kom zelf uit een familie van vissers. Mijn opa ving riviervis en verkocht dat aan marktlui. In de jaren tachtig kwam er meer aandacht voor de visstand in Nederland, mijn vader ging vissen onderzoeken. En daar ben ik in meegerold. Inmiddels is het zo dat ik ze niet meer eet, dat kan ik gewoon niet. Ik ben verder geen vegetariër, maar van vis blijf ik af.”
Hoe gaat het met de Rotterdamse vissen?
“De waterkwaliteit is voor vissen prima in orde. En je ziet dus ook dat veel vissen graag naar onze stad komen. Palingen bijvoorbeeld. Als er voor de kust kleine glasaaltjes worden gezien, weet ik het al. Dan moeten ze hier binnengelaten worden. Daarna blijven ze hier wel tien tot vijftien jaar, er zit genoeg voedsel voor ze in het Rotterdamse water. Als ze groot zijn, en zo worden behoorlijk groot, zwemmen ze weer weg. Richting Zuid-Amerika. Om eieren te leggen. En daarna begint het feest weer van voor af aan.”
Lees verder onder de foto.
![]()
Bij Gemaal Schilthuis.
Je laat dus vissen de stad in? En als ze er weer uit willen, zorg jij daar ook voor?
“Ja, vroeger konden ze meteen doorzwemmen natuurlijk. Maar al sinds we ooit de eerste dam in de Rotte hebben gelegd, moeten wij, de mens, zorgen voor doorgangen. Dan zetten we de sluis extra open bijvoorbeeld. En bij de Leuvekolk hebben we tegenwoordig de vistrap tussen rivier en binnenwater.”
De gemeenteraad wil dat er ook een visdeurbel komt he, voor als vissen bij de sluis wachten.
“Wat wel zeker is, is dat er volgend jaar een automatisch schuifdeur voor ze komt in de Hollandse IJssel, bij Moordrecht. Daar hoeven ze niet aan te bellen, die gaat ‘s avonds gewoon vanzelf voor ze open. En dan kunnen ze hierheen zwemmen, naar de Rotte. Volgend jaar krijgen we ook een vislift bij de Bergsluis tussen de Rotte en de Delfshavense Schie. Daar gaan we dan door de stroming sterker te maken de vissen lokken, vervolgens gaat er een deurtje achter ze dicht en dat brengt de lift ze verder.”
Vaak gaat het om vissen met seksuele aandrang toch?
“Voor snoeken hebben we een paaiplaats gemaakt bij de Bergse Plassen. We hebben een stuk weiland onder water gezet. Dat wordt snel warm omdat het ondiep is. En snoeken zoeken warm water als ze willen paaien. Er komt ook een soort veenlucht in het water. Daar houden ze van. Vissen kunnen erg goed ruiken.”
Lees verder onder de foto.
![]()
Met een brasem uit de Rotte.
Wat is de grootste vis van Rotterdam?
“Dat zal de meerval wel zijn. Die kunnen wel twee meter lang worden. En de paling dus.”
Welke vissen komen het meest voor in onze stad?
“De blankvoorn leeft hier erg veel. De baars natuurlijk, een echte stadsvis. En ook de brasem wel, dat is een grote witvis.”
Er zullen vast ook rotzakken tussen zitten hè?
“Nou, de rivierkreeften... Het worden er meer en meer, met miljoenen zijn ze al. En ze eten alles op! Ze hebben maar weinig natuurlijke vijanden ook. Reigers soms, palingen eten weleens een kreeftje. En mensen. Misschien is het een goed idee als de mens meer rivierkreeft gaat eten, want er is nauwelijks iets aan die toename te doen. Als het regent komen ze het water uit en lopen ze over de weg naar de volgende sloot om zich voort te planten. Want voorplanten kunnen ze héél snel.”
Loeren er meer exotische gevaren onder water?
“De wolhandkrab. Dat zijn ook best griezelige beesten. Vorig jaar zaten ze opeens bij mensen in huis, geen idee waarom ze het water uitgingen. En nieuw is de komst van het watermosdiertje, een soort slijmerige blubberbollen. In Rotterdam heb ik alleen nog kleintjes gezien, maar ze kunnen wel een meter groot worden. We weten er nog weinig van, ook niet of ze kwaad kunnen en wat we ermee moeten. in het Engels worden ze blob genoemd. Ja, daar kun je wel een horrorfilm bij bedenken...”