
Na een leven in de horeca bedacht Gerard het verhaal van De Marathon
AlgemeenRotterdam - Gerard Meuldijk ging op zijn twaalfde werken. In de horeca. Later werd hij eigenaar van jazzcafé Dizzy. Tot hij er op zijn vijftigste genoeg van had en filmmaker werd. Hij bedacht en schreef het succesverhaal van De Marathon. Meuldijk is nu 72 en wil er nog zeker 25 jaar aan vastplakken. Eerst is hij deze week Rotterdammer van de Week.
Door Emile van de Velde
Je kan zeker wel ergens binnenkomen hé, als scenarioschrijver van De Marathon?
“Ja, ze zeggen meteen u tegen je. Toen de film een succes werd, riepen ze me zelfs na op de Nieuwe Binnenweg: ‘Hé, jij bent binnen zeker!’ Nou, ik kreeg destijds 15.000 euro. We huurden Cinerama af voor vrienden, kochten een mooi pak, een jurk voor op de rode loper voor mijn vriendin Saskia Strijdonk. Binnen een paar weken was het geld op.”
Die film lijkt me iets om voor altijd trots op te zijn.
“Martin (van Waardenberg) en Wilfried (de Jong) zijn goede vrienden uit mijn tijd bij Dizzy. Ze moesten in Groningen optreden en ik ging mee, drie dagen bierdrinken. Ik had net zelf de marathon gelopen en ik vond dat daar een goed verhaal in zat. Martin zei: ‘Nou Geer, in Rotterdam gaan jij en ik eens om de tafel zitten’. Hij heeft tachtig procent geschreven hoor, ik twintig. En daarna hebben we het nog 23 keer herschreven. Elke keer werden we afgewezen. Amsterdamse filmmaatschappijen vonden het verhaal te Rotterdams. Pas vijf jaar later kwam het rond.”
Je was pas rond je vijftigste in de filmwereld beland hè.
“Ik heb altijd in de horeca gewerkt. Op mijn twaalfde ging ik werken bij restaurant Plaswijck. Ik kom uit het Oude Noorden, uit een groot gezin. Er was geld nodig. Uit het Oude Noorden herinner ik me vooral de kerstbomenoorlogen. Die verloren we altijd, van de jongens in Crooswijk. Die waren veel groter joh, als die de Zaagmolenbrug overkwamen, leverden wij onze kerstbomen snel in.”
Wat wilde je worden toen?
“Kok. Maar daar kwam bij dat restaurant weinig van terecht. Ik gebruikte alleen een blikopener. Later ging ik hamburgers bakken voor de Bijenkorf. Die begonnen toen een keten fastfoodrestaurants in het land, Orange Julius. Ik vond het een wereldbaan, reisde door heel Nederland, in elke stad een ander schatje. Ik woonde ondertussen in West. En kwam in de cafés aan de ‘s-Gravendijkwal. Uiteindelijk werd er eentje omgebouwd tot Dizzy en daar ging ik werken. Later werd ik eigenaar. Dan ben ik 24 jaar gebleven. Ik wist eerst niet eens hoe je jazz moest schrijven, na 24 jaar had ik er wel iets meer verstand van.”
Wat vind je de mooiste plek van Rotterdam?
(Kijkt om zich heen vanaf het terras op de Nieuwe Binnenweg)
“De OQ! Haha, ik ben er een keer met Martin geweest. We hadden een idee voor een film waar een bordeel met een zwembad in voorkwam. Dus wij naar de OQ. En inderdaad werden we door twee meisjes meegenomen naar een kamer met een bad. Martin sprong erin, deed twee zwemslagen de ene en twee de andere kant op en zei: ‘Prima dit, bedankt!’ Die meisjes schrokken zich rot dat we meteen weer weg wilden, dan zouden ze op hun donder krijgen. Dus we hebben nog wat champagne besteld en zijn een uurtje blijven zitten. Met onze kleren aan.”
Je bemoeit je ook met Ome Cor, en het vervolg Opa Cor.
“Dat is gewoon een project om geld te verdienen voor het goede doel hè, dat kun je niet vergelijken met De Marathon. Het verhaal voor een échte nieuwe film is ook klaar Het wordt weer heel Rotterdams. Dit keer over drie broers uit het Oude Noorden, drie losers. We zijn nu bezig een productiemaatschappij te zoeken.”
Je bent 72, maar nog behoorlijk druk dus.
“Ik werk als vrijwilliger in Familiehuis Daniel den Hoed, ik ga naar de sportschool, ik wandel als hondenoppas in het Park. En ik lees een krantje aan de Nieuwe Binnenweg. Ik woon nog steeds in hetzelfde huis, naast Dizzy. Daar ga ik ook niet meer weg. Ik wil nog 25 jaar leven. Dan ben ik 97, een mooie leeftijd om afscheid te nemen.”