Mike Boddé op de Nieuwe Binnenweg. 'Na mijn studie in Amerika ben ik de stad pas écht gaan ontdekken. Ging ik naar Will'ns en Wetens, Ari, Westerpaviljoen.' Foto: Parisa Akbarzadehpoladi
Mike Boddé op de Nieuwe Binnenweg. 'Na mijn studie in Amerika ben ik de stad pas écht gaan ontdekken. Ging ik naar Will'ns en Wetens, Ari, Westerpaviljoen.' Foto: Parisa Akbarzadehpoladi
Rotterdammer van de Week

In het Rotterdam van Mike Boddé zei iedereen Arie tegen elkaar

Algemeen

Rotterdam - Na een leven lang depressies heeft Mike Boddé rust gevonden met een nieuw medicijn. Hij doet wat hij vanaf zijn vierde al wilde (muziek maken), cabaret staat onderaan zijn lijstje en stemmetjes imiteren doet hij zelfs niet als een oud-burgemeester van Rotterdam hem er om vraagt. Over Rotterdam praten, doet hij wel. Heel graag zelfs. Mike Boddé is deze week onze Rotterdammer van de Week.

Door Emile van de Velde

Ze mogen je wakker maken om over Rotterdam te praten.

“Jazeker. Rotterdam is toch prachtig geworden! Toen wij jong waren, was het echt ondenkbaar dat de stad zo zou gaan worden als het nu is. Ik woonde in Schiebroek, later in Hillegersberg. Het was rustig, ik skelterde op de straat en we hadden een voetbalveldje. In de stad was er een hertenkamp op de Coolsingel, de Ton Menkenhal en de bios, verder was er niks. Nu is er twintig keer meer te doen. Maar ik ben geobsedeerd door het oude Rotterdam. Ik sta vaak te kijken in het centrum, met mijn ogen half dicht, en dan zie ik de stad van voor de oorlog. Dan sta ik op de Hoogstraat en denk ik ‘dus daar was dit, en daar zat die straat.’ Ik ga zelfs weleens naar Amsterdam of Dordrecht, speciaal om aan bepaalde straatjes te zien hoe het oude Rotterdam eruit zag.”

Toch woon je niet in Rotterdam.

“Mijn vrouw wilde graag terug naar het dorp waar ze vandaan kwam, Maarssen. Het bleek me hartstikke goed te bevallen. Ik ben bijna wekelijks in Rotterdam, gisteren zat ik nog plaatjes te draaien bij Roland Vonk thuis. Mijn broer woont in Little C, dáár is het opgeknapt hè, sinds vroeger, toen lagen de heroïnenaalden in de berm. Ik overweeg weleens terug te verhuizen hoor, maar ben er ook achter gekomen dat ik eigenlijk geen stadsmens ben. Ik vind die drukte heerlijk, maar na een tijdje wil ik rust.”

Hoe gaat het eigenlijk met je?

“Nou, ik heb een tijdje geleden een overdosis Prozac gehad, daardoor kwam ik in een hypomane fase terecht. Dat betekent dat alles wat je doet té is. Te negatief, te vrolijk, alles wat ik deed was nét niet manisch, maar wel bijna. Toen heb ik ook als een gek twee boeken geschreven en twee cd’s gemaakt. Nu gaat het beter. Ik heb eindelijk het medicijn dat ik vanaf mijn dertiende had moeten hebben, lithium. Ik voel echt een weldadige rust.”

Er is dus een nieuw boek?

“Deze week is ‘Bipolaire traktaten’ verschenen. Het is een pseudo-filosofisch boek dat er uitziet als échte filosofie. Vol met latijn, eindeloze voetnoten met grapjes. Ik bewijs het bestaan van God, maar ook dat we door Rogier van Otterloo het WK van ‘74 niet hebben gewonnen. Er staat een tekst in die Sweetest Revenge heet. Daarin beschrijf ik hoe de slaven in Amerika eerst alles af is gepakt, maar dat ze toen ze vrij kwamen juist iets aan de wereld terúg gaven: muziek. De hele muziekwereld wordt gedomineerd door zwarte muziek, en door muziek die uit zwarte muziek is ontstaan En naar aanleiding van dat verhaal heb ik de cd Love Black gemaakt, met mijn versies van al die muziek.”

Wat doe je het liefst van al die dingen waar je goed in bent?

“Ik wist op mijn vierde al wat ik wilde worden en dat was muzikant. Dat ben ik. Schrijven, acteren, dat doe ik allemaal vanuit de muziek. Het gaat om het ritme van de muziek, bij alles wat ik doe. Cabaret staat tegenwoordig helemaal onderaan de lijst. En stemmetjes imiteren... ik kwam pas Ivo Opstelten tegen, hij vroeg of ik hem op zijn verjaardag wilde komen nadoen. Nee, dat heb ik maar niet gedaan, er is altijd wel een tante of zo die er boos om wordt.”

Wat is er mooi aan Rotterdam?

“De mentaliteit. Dat directe van Rotterdammers is heel ongebruikelijk. Vroeger zei iedereen Arie tegen elkaar. Zo van ‘Hé Arie, moet je effe mee naar buiten?’ Pas bij een schouwburg zei iemand tegen me: ‘Ik wijs je even de kleedkamer, want je gaat vast niet in die kleding optreden.’ Dus ik reageerde op z’n Rotterdams: ‘Hé Arie, tot je normaal tegen me gaat doen, ben jij voor mij een Arie hè!’”

En wat is er lelijk aan Rotterdam?

Dat zure gevoel over Amsterdam. Flikker toch op. Dat hebben wij toch nergens voor nodig joh, wij zijn veel leuker!”